De Zeekr 7GT versus het autojournaille (2026)

Met interesse en vervolgens enige irritatie nam ondergetekende onlangs kennis van de introductie van de nieuwste toevoeging aan het Nederlandse Zeekr-gamma; namelijk de 7GT. Een D-segment stationwagen (daar lijkt hij toch het meeste op) die verwant is aan de reeds bestaande 7X en de concurrentie aan zal gaan met auto’s als de Volkswagen ID.7 en Tesla Model 3, maar eveneens met auto’s als de nieuwe elektrische C-klasse en i3 (Neue Klasse).

Laat ik voorop stellen; dit artikel is geen rant tegen Zeekr, en ook niet tegen al die concurrentie. Het is slechts een observatie van een fenomeen wat al wat langer gaande is in de automotive wereld: de strijd van de opkomende merken tegen de gevestigde orde. En op de een of andere manier voelt de traditionele autopers zich soms erg geroepen hierbij een kant te kiezen, in plaats zich puur op de feiten te concentreren. Omdat dit soms al te doorzichtige vormen aanneemt, hierbij een bespreking van de Zeekr 7GT aan de hand van dit gebeuren.

Want waar hebben we het over? Wel; over een een auto die op papier toch wel direct de aandacht trekt door zijn specificaties, in combinatie met de vraagprijs. Zo staat de auto op het 800V SEA-platform van Geely; wat batterijgroottes tot 100 KWh mogelijk maakt en laadsnelheden tot meer dan 450 kW (!). De auto is leverbaar in drie varianten, geen van allen karig uitgerust, en is al verkrijgbaar voor minder dan 50k.

Valt er dan niets op aan te merken? Oh, zeker wel. We hebben met de auto gereden en hij is bizar snel, maar het onderstel is bijvoorbeeld niet steengoed. Strak genoeg, comfortabel genoeg, maar niet baanbrekend (de testauto had de standaard stalen veren). Ook is de zitpositie aan de hoge kant, zit teveel tech in het scherm verstopt, en laten sommige Pilot Assist functies zich niet direct intuïtief bedienen. Daarnaast zijn er amper losse opties te krijgen, dus als de instapper je niet zint betaal je direct duizenden euro’s meer voor de midden versie of topversie Privilege (die dan wel alles heeft).

Al met al dus geen foutloze auto; net als bijna geen enkele dat is. De prijs maakt de auto voor velen echter zo interessant dat de totaalafweging veelal positief door zou kunnen slaan in vergelijking met het Europese aanbod. Daar kan je dikwijls veel dieper in de buidel tasten voor auto’s die mindere techniek hebben, (veel) kaler zijn uitgerust, en qua design ook niet altijd meer de potten breken of de road presence hebben die je er misschien van verwacht. Omdat dit blijkbaar schuurt met het traditionele beeld zoals we dat misschien vroeger vaak zagen (?), laten sommige autojournalisten zich daarom verleiden ongekend hard te zijn in hun kritiek op de 7GT.

Terwijl dat onzin is! Laten we deze auto voor de grap eens vergelijken met de enige VAG e-segment EV auto niet zijnde een SUV, de A6 e-tron. Een auto die ongelooflijk zwaar op het netvlies ligt (en dan druk ik mij politiek correct uit), gelijkwaardige of mindere techniek biedt, langzamer is, zwaarder is, al lang niet meer zo fraai is afgewerkt als Audi’s dat voorheen waren, en het belangrijkste: exact dezelfde klachten kent over een suboptimale zitpositie door de batterij in de bodem. Daarnaast is de auto kaler voor meer geld en het wordt al snel geen heel positief verhaal over de Duitse aanbieding in dit korte vergelijk. Toch hoor je dat maar amper. Af en toe doet een moedige journalist in een podcast zijn mond enigzins open, maar zelden in de veelbekeken reviews op YouTube en altijd met een flinke hap meel in de mond.

Zo jammer! Want het hoeft immers niet. Wat is er mis met een stukje eerlijkheid naar je lezers en kijkers? Waarom mogen Europese autojournalisten niet kritisch zijn over hun ‘eigen’ product? Waarom moeten we standaard maar weer afgeven op opkomende merken die soms hun zaken gewoon beter op orde hebben? Het toont in ieder geval de waarde van onafhankelijke automedia aan, die zich los van banden met importeurs, dealergroepen, en allerhande PR onzin een oordeel vormen op basis van een testrit zoals iedere consument dat ook kan doen. We wensen alle lezers veel plezier bij het doen van hun eigen onderzoek, en kijken uit naar de reacties.

Introductie Polestar 4: ‘Zeg je Macan maar af’?!

Afgelopen woensdag vond in Amsterdam voor een select groepje geïnteresseerden de Nederlandse introductie van de Polestar 4 plaats. Ondergetekende was aanwezig en deed zo ook een eerste indruk op van dit voor Polestar zo belangrijke model.

Voor het event in de Polestar Space Amsterdam was de mede van Autovisie bekende journalist Werner Budding gestrikt om het geheel aan elkaar te praten. Zo werd de ronkende vermelding gedaan dat het Britse AutoExpress schijnbaar na hun eerste indruk met de auto aangaven dat alle mensen met een pre-order voor de nieuwe (ook elektrische) Porsche Macan (vanaf 88k in NL) wel in konden pakken. Daarover later meer. Ook werd, terecht, aan de kaak gesteld hoe ‘Chinees’ dit nieuwe product van Polestar nu eigenlijk was. Dat wel zonder daarbij het verboden woord van de avond, namelijk Zeekr, te benoemen.

Kort over de auto; de eerste indruk is goed. De al bekende specificaties zijn inmiddels geen nieuws meer (RWD 272pk / AWD 544pk / 100Kwh accu) en keurig in lijn met waar de concurrentie in dit segment zoal mee komt. De vraag is natuurlijk hoe de auto nu in het echt oogt; en hoe de kwaliteitsbeleving is bij een product wat start op ongeveer 64 mille. Het design is in het echt smaakgevoelig, maar lijkt geslaagd. De verhoudingen kloppen en de auto oogt breed en sportief zonder overdreven lomp te worden. De gigantische velgen van de showauto helpen daarbij natuurlijk, maar de kleur was eenvoudig wit. Qua formaat zit de auto gevoelsmatig dicht bij de Hyundai Ioniq 5 / Kia EV6 in de buurt; wel duidelijk groter dan de Polestar 2 dus.

Van binnen biedt de auto een prettig omsloten gevoel, waarbij de zitpositie uiteraard hoger is dan in een Hyundai Ioniq 6 of BMW i4 maar toch duidelijk meer crossover dan SUV ademt. Materiaalgebruik en afwerking is van een keurig niveau en her en daar zien we bekende onderdelen uit de Zeekr 001. Achter is de ruimte gezien de lijn van de auto indrukwekkend, mede door de bijzondere constructie van de achterruit (die dus mist, voor een ieder die het nog niet gelezen had). Uiteraard zullen rij-eigenschappen en werking infotainment pas echt goed beproefd kunnen worden zodra testritten mogelijk zijn, wat naar verwachting zomer dit jaar het geval is.

Het meest interessante van deze auto is natuurlijk de positionering, en daar heb ik met de aanwezige marketinggoeroe’s van Polestar ook de meeste woorden over gewisseld. Uiteraard moest er op dit gebied een kritische noot gekraakt worden; hoe kan het immers zo zijn dan de technisch gelijke Zeekr 001 in de topuitvoering te boek staat voor 72k en de Polestar 4 met alle optiepakketten circa 94 mille (!!) op moet brengen? Buiten het gebruikelijke obligate praatje over merkidentiteit zat dat volgens de aanwezige Polestar reps vooral in betere onderdelen voor het onderstel, meer R&D kosten voor de software, en fraaiere materialen.

Nu is er op het materiaalgebruik in de Polestar inderdaad weinig af te dingen, maar dat geldt ook voor de Zeekr 001. Onderstelcomponenten wil ik geloven, maar valt pas te controleren na het rijden. Blijft de software over; en daar ben ik geneigd Polestar punten te geven gezien feit dat de eerste reacties op de Zeekr software niet echt geweldig lijken (en dan zijn we voorzichtig). Toch is dit punt wat mij betreft geen prijsverschil van 20.000 (!) waard. Het kan zijn dat de Polestar een interessante concurrent is voor de Porsche Macan, maar dat is een vrij boude bewering die nu nog niet hard te maken is. Eigenlijk lijkt de P4 het meest interessant op het prijspunt waar de lijst begint: 64k. Goedkoper dan de Zeekr, veel goedkoper dan de Macan (88k) en de Audi Q6 (77k), maar wel goed gebouwd op een (zeer) capabel SEA platform.

Voor 95-100k zit je in ‘premium vaarwater’ en heb je nog steeds een auto die in de basis veel goedkoper begint. Daarmee worden de sterke eigenschappen van het basismodel relatief zwakker in vergelijking tot concurrentie en wat voor die prijs gangbaar is. De eisen liggen in dit prijssegment immers ook een stuk hoger, en kan de Polestar dan nog meekomen? Nog los van het feit dat de Porsche badge ongetwijfeld begeerlijker is voor de merkgevoelige kopers in dit deel van de markt (en dat zijn er hoopjes) denken we dat de value-for-money verhouding in deze situatie voor Polestar minder sterk is en men daarom de hand wellicht overspeelt.

Wordt vervolgd!